Romeins vaarwater

Beeld: Wikimedia Commons CC BY-SA 3.0 / Rama

Beeld: Wikimedia Commons CC BY-SA 3.0 / Rama

Nederland was van groot belang voor de Romeinen. Onze rivieren waren de springplank voor de verovering van Engeland. Dat weten we dankzij recente opgravingen.

Het Pompeii van de scheepsarcheologie lijkt het wel. De vondst van stukken van zes Romeinse schepen in de Utrechtse nieuwbouwwijk Leidsche Rijn tijdens opgravingen die tussen 1997 en 2008 plaatsvonden. Daarnaast werden ook wachttorens opgegraven. ‘Tot aan dat moment wisten we nog niet hoe belangrijk Nederland eigenlijk was voor de Romeinen,’ weet Erik Graafstal. Als stadsarcheoloog voor de gemeente Utrecht weet hij alles van de Romeinse vondsten. Hij is nauw betrokken geweest bij de opgravingen in Leidsche Rijn. Van zijn met boeken afgeladen werkkamer verkast hij regelmatig naar opgravingsites. ‘Dan sta je ineens met je poten in de modder. En doe je onderzoek naar een beschaving die al eeuwen lang begraven is. Maar daardoor leren we wel steeds meer over de Romeinen. Hoe ze leefden. En hoe ze veroverden.’

Ruim tien jaar lang werd er onderzoek verricht naar de vondsten in Leidsche Rijn. De belangrijkste conclusie: dat de Romeinen eerder actief waren in Nederland dan voorheen werd gedacht. Het jaar 47 na Christus werd voorheen gezien als het jaar waarin de Romeinen echt waarde gingen hechten aan Nederland. In dat jaar werd de noordgrens van het Romeinse Rijk vastgesteld op de Oude Rijn. ‘Na deze vondsten en de vondsten in Woerden en Alphen aan den Rijn, moesten we concluderen dat de Romeinen al in het jaar 40 heel actief waren,’ ligt Graafstal toe. ‘Nou zullen veel mensen zich afvragen wat die paar jaar uitmaken. Maar het stelt de rol van Nederland in het Romeinse Rijk in een compleet ander daglicht. We kunnen nu wel aannemen dat Nederland heel belangrijk was voor de Romeinen. Vooral als het aankomt op de verovering van Britannia, het huidige Engeland.’

Claudius verovert Britannia
Rond het jaar 40 na Christus was het Romeinse Rijk hard op weg naar zijn hoogtepunt. Landen rond de Middellandse Zee en een deel van de Europese binnenlanden waren allemaal al eerder veroverd en opgenomen in het grote Emporium Romanum. In die tijd veroverde Claudius, die keizer was van 41 tot 54 na Christus, onder andere delen van het huidige Turkije, Armenië en Azerbeidjaan én de noordkust van Marokko. Het stuk land dat de Romeinen echter nóg liever wilden hebben, was Britannia, het huidige Engeland. Rijk aan ijzer, dat belangrijk was voor het maken van wapens, pantsers en andere voorwerpen. De impopulaire keizer Caligula probeerde in het jaar 40 Britannia al te veroveren, maar moest zijn veroveringstocht aflassen. Keizer Claudius lukte het wel. Onder leiding van general Aulus Plautius veroverden Romeinse troepen in 43 het huidige Engeland tot aan de Thames-rivier. Claudius zelf zorgde voor de genadeslag. Hij liep de Engelse volkeren onder de voet met versterkingstroepen en artillerie. Al deze hulptroepen moesten de Noordzee oversteken. Vanuit Nederland!

Troepen die vanuit het Duitse Rijnland naar Engeland moesten, voeren over het algemeen via de Rijn en daarna de Oude Rijn, die in elkaar over liepen via de Nederrijn en Kromme Rijn. De Oude Rijn liep van het huidige Utrecht via Woerden en Alphen aan den Rijn naar Katwijk aan Zee. Vanuit daar is het nog maar een klein stukje varen naar Engeland. ‘Van die oude rivier is nu helemaal niets meer te zien, maar door opgravingen weten we dat hij er gelegen moet hebben,’ aldus Graafstal. ‘De Oude Rijn was zelfs een van de belangrijkste transportaders voor het Romeinse Rijk in die tijd. Dat weten we omdat de rivier voor die tijd ontzettend goed bewaakt werd.’

In totaal werden zo’n twintig militaire nederzettingen uit de grond gestampt om de rivier te bewaken. Per vijf kilometer rivier, stonden zo’n drie wachttorens. Ze waren altijd bemand en lagen pal aan de rivier, zodat snel ingegrepen kon worden als het nodig was. De wachttorens die bij de opgravingen in Leidsche Rijn naar boven zijn gebracht, behoren tot de oudste wachttorens die in Noord-West Europe gevonden zijn. Ze stammen uit het jaar 40 of 41. ‘Zo’n sterke bewaking was voor die tijd uniek,’ weet Graafstal. ‘Het Nederlandse rivierengebied liep erg voor op de andere Romeinse gebieden. Een grensbewaking die zó dicht was, zie je elders pas terug rond het jaar honderd.’

Militaire handelsschepen trokken vanaf de Engelse kust naar Nederland, de Oude Rijn op. Vanaf daar voeren ze verder naar onder andere Keulen. Dat was een belangrijke stad voor de Romeinen. Ook in de andere richting voeren schepen om op hun beurt weer goederen en militaire strijdkrachten naar Engeland te brengen. De reis over de Oude Rijn moet qua uitzicht niet erg spectaculair geweest zijn. In het Duitse Rijnland lagen pas de echt grote en belangrijke steden. In Nederland werd vooral in het grensgebied met Duitsland aan stedenbouw gedaan. ‘Als je in Zuid-Limburg van de ene heuveltop naar de andere keek, zag je voor je neus hele villacomplexen. Inclusief badhuizen met mozaïektegeltjes,’ beschrijft Graafstal. ‘De rest van Nederland was grotendeels arm. Op de reis via de Oude Rijn werd het uitzicht op wachttorens afgewisseld met landelijke gebieden.’ Weiden, paardenstallen en wat kleinschalige graanteelt wat de klok slaat dus.

Boerenzonen werden krijgers
Nederland was op het gebied van grondstoffen voor de Romeinen niet erg belangrijk. Andere landen hadden meer te bieden. De belangrijkste hulpbronnen waren waarschijnlijk vlees en leer. ‘Al vind je leer nauwelijks terug bij opgravingen,’ geeft Graafstal toe. ‘Dat vergaat. Je kunt dat wel concluderen door de vondst van andere werktuigen waarvoor ook leer werd gebruikt. Nederland was wel heel dicht bevolkt. Een van de meest dicht bevolkte gebieden van Noord-West Europa in die tijd.’

Een grote lokale bevolking betekende voor de Romeinen één ding: veel mogelijke hulptroepen. De Bataven, een van de Nederlandse volken, werden vrijgesteld van belastingen in de vorm van goederen. In plaats daarvan betaalden ze in natura. Het waren boerenzonen die in krijgsdienst gingen bij het Romeinse leger. ‘De Bataven leverden buitenproportioneel veel hulptroepen. Ze waren gewild en behoorden tot de elite. Ze waren de enigen die in vol ornaat, met paard en al, de Rijn over konden zwemmen.’ Na 25 jaar trouwe dienst mochten de boerenzonen afzwaaien en kregen ze het Romeinse staatsburgerschap. Bij restanten van boeren nederzettingen zijn vaak delen van Romeinse legeruitrustingen gevonden. ‘Daardoor denken we dat de hulptroepen na hun dienst een deel van hun uitrusting mee kregen. Dat was waarschijnlijk een statussymbool.’ Weer iets dat we geleerd hebben van de opgravingen, volgens Graafstal.

De Bataven werden vooral ingezet bij de verdediging van de transportader Oude Rijn. Al de wachttorens en forten langs de rivier moesten per slot van rekening wel bemand zijn. De wachttorens en forten werden met elkaar verbonden met een weg; de limesweg. Limes is Latijn voor grens. De weg bestond aan weerzijden uit rijen met houten paaltjes, die de wegrand aangaven. Deze paaltjes zijn bij de opgravingen in onder andere Leidsche Rijn teruggevonden. Tussen de paaltjes in lag de eigenlijke weg: een ophoping van zand en klei. De weg was relatief smal, zo’n 4,5 tot 5 meter. Net genoeg om twee karren langs elkaar te laten passeren

Voorafgaand aan de opgravingen in Leidsche Rijn ging men er vanuit dat de limesweg aangelegd was om als noordgrens van het Romeinse Rijk te dienen. ‘Door de opgravingen weten we nu dat het anders zit. De weg werd pas rond of kort na het jaar 85 na Christus aangelegd en moest de torens en castella (forten) met elkaar verbinden.’ De eigenlijke noordgrens van het Romeinse Rijk was de Rijn. De grens werd in 47 voor Christus vastgelegd. Toen stonden de forten en wachttorens er al, weten we door ouderdomsbepaling. Ver voor de aanleg van de weg in 85 dus. Iedere opgraving leert ons meer van zulke feiten over de Romeinen. Zo werd eind 2006 bijvoorbeeld een ander stuk van de Romeinse limesweg gevonden in de Utrechtse wijk Kanaleneiland. ‘Dat hadden we totaal niet verwacht,’ geeft Graafstal toe. ‘We dachten dat de weg door het centrum van het huidige Utrecht zou lopen, langs het castellum dat op het huidige Domplein gestaan heeft. We weten nu dat de weg naar het Domplein slechts een extra zijweg was. De limesweg loopt dus een stuk lager dan we verwacht hadden: onder Utrecht door!’ En zo blijven we ontdekken.

Ter verdieping

Ouderdomsbepaling
Het vinden van voorwerpen of gebouwen uit een verre geschiedenis is één ding. Maar als je het gevonden voorwerp niet kan dateren, heb je er nog niet veel aan. Ouderdomsbepaling is ontzettend belangrijk bij archeologische vondsten. Gelukkig zijn daar verschillende nauwkeurige manieren voor. Een van de meest gebruikte technieken is dendrochronologisch onderzoek. Dat is het gebruiken van jaarringen in hout om te bepalen hoe oud een voorwerp is en uit welke tijd het stamt. Bomen die in dezelfde periode in dezelfde regio groeien, hebben vaak dezelfde ruimte tussen jaarringen. Wanneer een boom tijdelijk stopt met groeien ontstaat zo’n jaarring. Doorgaans stoppen bomen alleen met groeien in de winter. Daarom kun je aan de hand van de jaarringen de leeftijd van de boom aflezen. Door hout van dergelijke bomen te vergelijken, maken dendrochronologen een jaarkalender. Voor ons eigen Nederland zijn op deze manier kalenders gemaakt die dateringen mogelijk maken tot aan de vorige ijstijd, zo’n tienduizend jaar geleden. Stukken hout die bij archeologische opgravingen gevonden worden, moeten meer dan zestig ringen hebben om ze met behulp van dendrochronologie te dateren.
Opgraven is vernielen
‘Als je een opgraving doet, maak je eigenlijk een verticale doorsnede van een landschap,’ legt de Utrechtse stadsarcheoloog Erik Graafstal uit. In zijn functie heeft hij al aardig wat opgravingen meegemaakt. ‘Bij normale opgravingen wordt een stuk grond laag voor laag afgegraven. Daarmee verniel je dus de grondlagen en alles wat daarin bewaard is gebleven. In de tussentijd breng je alles in kaart en verzamel je de overblijfselen die je vindt. Fundamenten van gebouwen laat je wel liggen als je die tegenkomt.’ Eigenlijk is er volgens Graafstal bijna altijd wel ergens in Nederland een opgraving bezig. In april 2009 wordt begonnen met een uitgebreider onderzoek naar opgravingen in de woonwijk Kanaleneiland in Utrecht. Daar werd eind 2006 een stuk gevonden van de limesweg: de weg die de forten en wachttorens langs de Oude Rijn met elkaar verbond.
Romeinse overblijfselen
Tijdens de opgravingen in de Utrechtse nieuwbouwwijk Leidsche Rijn, werden een aantal uitstekend bewaard gebleven Romeinse schepen gevonden. Een van die Romeinse schepen is te bezichtigen in het Scheepsarcheologisch Museum in Lelystad. Maar er zijn in Nederland nog veel meer Romeinse overblijfselen te zien. Overal waar de Romeinen kwamen, lieten ze spullen achter. Ze waren vooral actief in de meest zuidelijke punten van Nederland. Vlakbij de Belgische grens, in Tongeren, is nog een groot stuk van een oude Romeinse stadsmuur te zien. Iets verderop, in wandelgebied Beukenberg, is ook nog zo’n drie kilometer van een voormalig Romeins viaduct bewaard gebleven. En in Valkenburg zijn de contouren van een Romeins castellum (een Romeins fort) nog altijd zichtbaar. Ook in Meinerswijk en Zwammerdam, dat langs de meest noordelijke Romeinse weg lag, zijn overblijfselen van castella te zien.Zuid-Limburg was een van de rijkere Nederlandse gebieden in het Romeinse Rijk. In het Thermenmuseum in Heerlen zijn nog restanten te zien van een oud Romeins badhuis. In Maastricht zijn resten van een oude waterput en een Romeins plein gevonden. Ze kwamen tevoorschijn toen Hotel Derlon in het centrum van de Limburgse stad enkele jaren geleden verbouwd werd. De vondsten zijn in het keldermuseum van het hotel te bezichtigen. Ook in buurt van Nijmegen zijn veel overblijfselen gevonden. Onder het huidige Elst zouden zelfs restanten van een uitgestrekte Romeinse nederzetting liggen. Maar om nou heel Elst om te gaan spitten…

Dit artikel verscheen eerder in questhistorie